| Raad van State |
|
Uitspraak -------------------------------------------------------------------------------- AFDELING Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, 1. Procesverloop Bij besluit van 29 maart 2001 heeft de gemeenteraad van Zaanstad, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, vastgesteld het bestemmingsplan "De Binding". Verweerder heeft bij zijn besluit van 30 oktober 2001, kenmerk 2001-14845, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 17 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2001, en appellanten sub 2 bij brief van 21 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2001, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 16 april 2002. Bij brief van 2 april 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 13 augustus 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad van Zaandam en appellanten sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2002,
waar appellanten sub 1, in de persoon van [gemachtigde], appellanten sub
2, in de persoon van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door
mr. F. Arents, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. 2.2. Het bestemmingsplan maakt een beperkte openstelling van de busbrug De Binding in Koog aan de Zaan voor alle verkeer mogelijk teneinde de infrastructuur van de wijken ten westen van de spoorlijn Amsterdam-Alkmaar, waaronder de wijk Westerkoog, te verbeteren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd. 2.3. Appellanten sub 1 en 2 stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij vrezen dat de toegestane openstelling zal leiden tot een toename van het verkeer en daarmee een aantasting van het woon- en leefklimaat in de wijk Westerkoog, waarbij zij denken aan verkeersonveilige situaties en geluidsoverlast. In dat kader spreken zij ook hun twijfel uit over de deugdelijkheid van het akoestisch onderzoek en de bijbehorende verkeersprognose die aan het plan ten grondslag liggen. Voorts menen appellanten sub 1 en 2 dat de openstelling strijdig is met een groot aantal beleidsuitgangspunten en convenanten. 2.4. De gemeenteraad is van mening dat gewijzigde inzichten en omstandigheden de openstelling van de brug rechtvaardigen. Door een samenhangend pakket van maatregelen kan naar zijn mening een zo optimaal mogelijke verkeersveiligheid in de wijk Westerkoog worden verwezenlijkt. Voorts ziet de gemeenteraad geen reden de verkeersprognose bij te stellen. Ook zijn volgens hem de eventuele omissies in het akoestisch onderzoek niet zodanig dat deze leiden tot een andere geluidsbelasting van de woningen in de wijk. 2.5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de ontwikkeling van het plan een zorgvuldige afweging van belangen is gemaakt. Koerswijzigingen door veranderde inzichten en onvoorziene omstandigheden kunnen zijns inziens niet worden aangemerkt als onzorgvuldig beleid. Daarnaast ziet verweerder geen reden om aan de uitgangspunten en zorgvuldigheid van de onderzoeken te twijfelen. Tot slot zijn volgens hem de gevolgen van de reconstructie van de aanliggende gebieden in akoestisch opzicht dermate gering dat deze geen belemmering vormen om het plan goed te keuren. 2.6. De Afdeling overweegt dat met de beoogde openstelling van de busbrug het aantal verkeersbewegingen op de rondweg van de wijk Westerkoog zal toenemen. Teneinde desalniettemin een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de wijk mogelijk te maken zullen blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting van gemeentezijde mitigerende verkeersmaatregelen worden getroffen. Hiertoe is in januari 2001 een concept-inrichtingsplan opgesteld dat uitgaat van een inrichting van de wijk als 30 kilometerzone met behulp van snelheidsremmende maatregelen zoals drempels, inritten, afzonderlijke fietspaden en verbreding van het trottoir. Onder de vorengenoemde omstandigheden acht de Afdeling niet aannemelijk dat de verkeersveiligheid bij de voorziene openstelling van de busbrug zodanig zal verslechteren dat verweerder het plan om die reden in redelijkheid niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. 2.7. Verder overweegt de Afdeling dat aan het plan twee akoestische onderzoeksrapporten ten grondslag liggen. In het akoestisch rapport van februari 1998 van de Dienst Milieubeheer van de gemeente Zaanstad is berekend welke geluidsbelasting op de gevels van de woningen aan de rondweg van Westerkoog zal optreden als gevolg van de openstelling van de brug. In het akoestisch rapport van 5 oktober 2000 van M+P Raadgevende ingenieurs bv. is het effect op de geluidsbelasting van onder meer het verlagen van de voertuigsnelheid, de verschillende wegdektypen alsmede het optrekken en afremmen onderzocht. De twee akoestische rapporten gaan wat betreft de te verwachten verkeersbewegingen uit van de getallen genoemd in de verkeersprognose van 27 september 1999. Deze prognose is tot stand gekomen met behulp van de verkeerssimulatiemodellen van [naam adviseur], Adviseurs verkeer en vervoer. Met het in dit geval gebruikte computermodel is het mogelijk verkeersstromen in stappen te ontleden, waarbij patronen in het verplaatsingsgedrag worden herkend. Gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling in het door appellanten gestelde geen aanleiding om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de prognose. Overigens zijn inmiddels nieuwe berekeningen uitgevoerd met aangepaste gegevens zoals de ontwikkeling van het stationsgebied. Deze berekeningen hebben evenwel niet geresulteerd in wezenlijke afwijkingen van de oorspronkelijke prognose. Ten aanzien van de akoestische rapporten is van belang dat deze eveneens aan de orde zijn geweest in het kader van de vaststelling van de ten hoogste toelaatbare geluidgrenswaarden krachtens artikel 100a van de Wet geluidhinder. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar inzake deze vaststelling heeft de Afdeling bij uitspraak van 12 februari 2003, no. 200106200/1 (aangehecht), gegrond verklaard. Naar haar oordeel, aldus overweging 2.5.3 van de uitspraak, is niet deugdelijk gemotiveerd dat aan de vastgestelde ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan worden voldaan, aangezien in de akoestische rapporten niet is aangegeven waarom een bepaalde geluidsreductie is gehanteerd. Gelet op het voorgaande bestaan twijfels omtrent de kwaliteit van de akoestische onderzoeksrapporten. In verband hiermee acht de Afdeling niet deugdelijk gemotiveerd dat de gevolgen van de openstelling van de brug in akoestisch opzicht dermate gering zijn dat deze geen belemmering vormen om aan het bestemmingsplan goedkeuring te verlenen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn derhalve gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeft hetgeen appellanten sub 1 en 2 verder hebben aangevoerd geen bespreking meer. 2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen gegrond; II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 30 oktober 2001, kenmerk 2001-14845; III. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten sub 1 en 2 de door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierechten (€ 109,36 voor appellanten sub 1 en € 109,00 voor appellanten sub 2) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. O. de Savornin Lohman, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat. w.g. Kosto w.g. Snijders Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2003 |
| Zaaknummer: 200106200/1 Publicatie datum: woensdag 12 februari 2003 Tegen: het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig Rechtsgebied: Bestuursrecht overig -------------------------------------------------------------------------------- AFDELING Uitspraak in het geding tussen: [appellant] en anderen, wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, 1. Procesverloop Bij besluit van 7 maart 2001 heeft verweerder krachtens artikel 100a van de Wet geluidhinder de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevels van woningen aan de [locatie] en de [locatie] te [plaats] vastgesteld vanwege de te reconstrueren weg De Binding. Bij besluit van 6 november 2001, verzonden op 7 november 2001, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 14 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2001, beroep ingesteld. Bij brief van 8 februari 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 4 juli 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2002,
waar appellanten, van wie [appellanten] in persoon en bijgestaan door
[gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door 2. Overwegingen 2.1. Het bestreden besluit betreft de ongegrondverklaring van de bezwaren gericht tegen de vaststelling van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op woningen vanwege de beperkte ingebruikname van een busbrug, "De Binding" geheten, tussen de wijken Westerkoog en Westerwatering voor gewoon verkeer. Voor de woningen van appellanten is een ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 52 dB(A) vastgesteld. 2.2. Ingevolge artikel 100, eerste lid, van de Wet geluidhinder geldt, behoudens het tweede lid en artikel 100a, als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen een zone, de voor de reconstructie ter plaatse heersende geluidbelasting, met dien verstande dat een geluidbelasting waarvan de waarde 50 dB(A) niet te boven gaat, in elk geval als toelaatbaar aangemerkt blijft. Ingevolge artikel 100a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet geluidhinder kunnen gedeputeerde staten in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degenen die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen, voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende vaststellen, met dien verstande dat de verhoging 5 dB(A) niet te boven mag gaan, behoudens in de onder 1o en 2o in dat artikellid genoemde gevallen. 2.3. Appellanten stellen dat de openstelling van de betreffende busbrug voor gewoon verkeer geen noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie heeft. Voorts stellen zij dat het bestemmingsplan onvoldoende milieuhygiënische garanties biedt voor de omgeving. Volgens appellanten had ten behoeve van de rechtszekerheid in het bestemmingsplan de grenswaarde van 50 dB(A) moeten zijn opgenomen voor woningen die aan De Binding zijn gelegen. 2.3.1. De Afdeling overweegt dat deze beroepsgronden aspecten betreffen die in het kader van de procedure tegen het goedkeuringsbesluit van het bestemmingsplan, waarbij de openstelling van de busbrug voor gewoon verkeer mogelijk is gemaakt, aan de orde kunnen komen, doch niet in de onderhavige procedure, waarin slechts het besluit tot vaststelling van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de gevels van woningen aan de orde is. Het beroep treft in zoverre derhalve geen doel. 2.4. Appellanten stellen dat het akoestisch onderzoek van de gemeente Zaanstad niet voldoet aan de Wet geluidhinder. Ten eerste zou dit rapport ten onrechte uitgaan van de periode 1997-2007 in plaats van de periode 2000-2010. Gelet op de autonome groei van het verkeer zou de verkeersintensiteit in 2010 fors hoger zijn en de geluidbelasting hoger uitvallen dan in 2007. Voorts wordt volgens appellanten de prognose van het aantal motorvoertuigen dat van de busbrug gebruik zou gaan maken bij openstelling, te gunstig voorgesteld. Bij het opstellen van het akoestisch onderzoek werd volgens hen verder geen rekening gehouden met door de gemeente Zaanstad geconstateerde ruimtelijke ontwikkelingen in de planperiode, te weten de ontwikkelingen in Saendelft, het Stationsgebied en de invulling van de Westzanerpolder. Gelet op het vorenstaande concluderen appellanten dat de berekeningen van de geluidbelasting een te lage uitkomst hebben. 2.4.1. Verweerder stelt dat de aanvraag om hogere waarden naar zijn oordeel op alle punten voldoet aan de Wet geluidhinder. Hij stelt voorts geen enkele reden te hebben om aan de door de gemeente gebruikte verkeersprognose te twijfelen. 2.4.2. In de nota van toelichting bij het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai is vermeld dat in de gevallen waarin zich geen bijzondere omstandigheden voordoen voor het maatgevende jaar kan worden aangehouden het tiende jaar na openstelling of reconstructie van de weg, of, in bestaande situaties, tien jaar na dato van het akoestisch onderzoek. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een autonome groei van het wegverkeer van ongeveer 2,5% per jaar, waarvan appellanten uitgaan, de geluidstoename in de periode 2007-2010 zo gering is dat deze als niet akoestisch relevant kan worden beschouwd. Gelet op het deskundigenbericht is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich op dit standpunt heeft kunnen stellen. De omstandigheid dat in het akoestisch rapport van februari 1998 (rapportnummer 98-02-01) van de Dienst Milieubeheer van de gemeente Zaanstad de periode 1997-2007 wordt beschouwd, brengt niet mee dat verweerder zich niet op dit rapport mocht baseren. Wat de prognose van het aantal motorvoertuigen dat van de busbrug gebruik zal gaan maken betreft, overweegt de Afdeling dat uit de stukken blijkt dat de verkeersprognose tot stand is gekomen met behulp van verkeerssimulatiemodellen van het verkeerskundig bureau Goudappel Coffeng uit Deventer. Met het in het onderhavige geval gebruikte computermodel is het mogelijk verkeersstromen in stappen te ontleden, waarbij patronen in het verplaatsingsgedrag worden herkend. Mede gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling in het door appellanten gestelde geen aanleiding om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de prognose. Met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkelingen in de planperiode overweegt de Afdeling dat blijkens de brief van het Hoofd van de afdeling Ruimtelijke Ordening van de gemeente Zaanstad van 21 juni 2002 met zowel Saendelft als de Westzanerpolder is gerekend. Voorts zou eveneens rekening zijn gehouden met de globaal bekende ontwikkeling van het Stationsgebied. Inmiddels zouden nieuwe berekeningen zijn uitgevoerd met aangepaste gegevens, hetgeen niet zou hebben geresulteerd in wezenlijke afwijkingen. Het beroep treft op deze punten geen doel. 2.5. Appellanten stellen dat verweerder bij de akoestische berekeningen ten onrechte twee verschillende Reken- en Meetvoorschriften heeft gehanteerd, te weten het Reken- en Meetvoorschrift 1981 en het Reken- en Meetvoorschrift 2000. Volgens appellanten was de laatste ten tijde van het bestreden besluit nog niet in werking getreden. Het gevolg is volgens appellanten dat een verkeerde geluidbelasting op de gevels van de woningen aan De Binding is berekend. 2.5.1. Verweerder stelt in het bestreden besluit en in het verweerschrift dat hij voor de bepaling van de door maatregelen te realiseren geluidreductie is uitgegaan van de nieuwe reken- en meetmethode. Volgens verweerder is het met het oude rekenmodel niet mogelijk om te rekenen met snelheden lager dan 35 km per uur en met het gebruik van stil asfalt. 2.5.2. Ingevolge artikel 102, eerste lid, van de Wet geluidhinder stelt Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting, vanwege een weg, regels voor het bepalen van het equivalente geluidsniveau als omschreven in artikel 1, inhoudende op welke wijze en met inachtneming van welke bestaande of te verwachten omstandigheden, de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid worden vastgesteld, en op welke wijze uit de over een bepaalde periode verkregen uitkomsten het in vorengenoemde omschrijving bedoelde gemiddelde wordt afgeleid. De in artikel 102, eerste lid, van de Wet geluidhinder bedoelde regels zijn neergelegd in het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai (Stcrt. 1981, 107). Deze ministeriële regeling is bij besluit van 27 maart 2002, in werking getreden op 30 maart 2002, ingetrokken en vervangen door het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 (Stcrt. 2002, 62). Ingevolge artikel 3 van het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai kan het equivalente geluidniveau vanwege een weg worden bepaald door middel van berekening dan wel meting. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai wordt de berekening van het equivalente geluidniveau uitgevoerd volgens de in bijlage I bij dit besluit beschreven standaard-rekenmethode I. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai wordt de in bijlage II bij dit besluit gegeven rekenmethode in acht genomen in gevallen waarin de standaard-rekenmethode I leidt tot een voor de betreffende situatie onvoldoende representatief equivalent geluidniveau. Ingevolge artikel 8 van het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai dient in situaties die vallen buiten het toepassingsgebied van de in bijlage II van dit besluit beschreven methode, de toe te passen methode de goedkeuring te hebben van de inspecteur. 2.5.3. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat verweerder zich voor de hoogte van de geluidbelasting die ten gevolge van de openstelling van de busbrug optreedt op de gevels van woningen, heeft gebaseerd op het akoestisch rapport van februari 1998 (rapportnummer 98-02-01) van de Dienst Milieubeheer van de gemeente Zaanstad. In dit rapport is met behulp van de standaard-rekenmethode I van het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai berekend welke geluidbelasting op de gevels van de woningen zal optreden als gevolg van de openstelling van de busbaan. Hiervan is blijkens bijlage 6 bij het rapport vervolgens 4 dB(A) afgetrokken vanwege het gebruik van zeer open asfaltbeton (ZOAB). Naast bovengenoemd akoestisch onderzoek had verweerder voorts de beschikking over een akoestisch rapport van 5 oktober 2000 van M+P Raadgevende ingenieurs bv. In dit laatste rapport is het effect op de geluidbelasting van onder meer het verlagen van de voertuigsnelheid, de verschillende wegdektypen en het optrekken en afremmen onderzocht. De berekeningen die aan dit rapport ten grondslag liggen, zijn uitgevoerd met behulp van zowel de standaard-rekenmethode I van het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai als een methode uit het concept van het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002, destijds nog aangeduid als "RMV 2000". Blijkens het deskundigenbericht kan uit het akoestisch onderzoek van M+P Raadgevende ingenieurs bv worden afgeleid dat, uitgaande van een beperkte openstelling van de busbrug, de toepassing van zeer stil asfalt (ZSA) en een maximumsnelheid van 50 km per uur, toepassing van de laatstgenoemde methode leidt tot een grotere geluidreductie vanwege het gebruik van geluidarm asfalt dan de standaard rekenmethode I van het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai, te weten 3,9 dB(A) in plaats van 3,2 dB(A). Verweerder is, zoals hiervoor reeds overwogen voor de vaststelling van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de gevels van de woningen bij het bestreden besluit uitgegaan van de in het rapport van de Dienst Milieubeheer van de gemeente Zaanstad berekende waarden en heeft conform dit rapport een aftrek van 4 dB(A) voor de toepassing van geluidarm asfalt gehanteerd. In het rapport van de gemeente Zaanstad is evenwel niet gemotiveerd waarom de toepassing van geluidarm asfalt in dit specifieke geval zou leiden tot een reductie van 4 dB(A). Uit het rapport van M+P Raadgevende ingenieurs bv blijkt dat een dergelijke geluidreductie zou kunnen worden bereikt bij een berekening volgens de nieuwe rekenmethode. Evenwel was het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 ten tijde van het bestreden besluit nog niet in werking getreden. Derhalve mocht verweerder niet uitgaan van berekeningen die aan de hand van een daarin voorgeschreven rekenmethode tot stand waren gekomen. Van toestemming van de inspecteur om gebruik te maken van een methode anders dan de standaard-rekenmethodes I en II van het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai, zoals bedoeld in artikel 8 van dat Reken- en Meetvoorschrift, is immers niet gebleken. Anders dan verweerder meent kan uit de omstandigheid dat de inspecteur in het kader van de ingevolge artikel 100a, derde lid, juncto artikel 87, eerste lid, van de Wet geluidhinder voorgeschreven advisering omtrent het verzoek geen reactie heeft gegeven binnen de in dat laatste artikellid genoemde termijn, niet worden afgeleid dat hij daarmee toestemming heeft gegeven voor de gehanteerde rekenmethode. Die omstandigheid brengt, zoals uit artikel 87, eerste lid, kan worden afgeleid, enkel met zich mee dat het college van gedeputeerde staten niet langer hoeft te wachten met het nemen van een besluit. Eerst bij nadere stukken, ingediend na afloop van het vooronderzoek, en ter zitting heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad gesteld dat de toegepaste correctie van 4 dB(A) vanwege het wegdek niet is gebaseerd op het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 of het concept daarvan, maar op Publicatie 133 van januari 1999 van de stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water-, Wegenbouw- en verkeerstechniek (CROW), getiteld "Het wegdek gecorrigeerd op akoestische eigenschappen" (hierna te noemen: Publicatie 133). Uit het rapport van de gemeente Zaanstad van februari 1998 blijkt dit evenwel geenszins: Publicatie 133 wordt daarin niet genoemd. Overigens is het de Afdeling niet duidelijk hoe zonder nadere toelichting en berekeningen uit Publicatie 133 valt af te leiden dat in dit geval een reductie van 4 dB(A) gehanteerd mag worden. De berekeningen van M+P Raadgevende ingenieurs bv kunnen in ieder geval niet als zodanig gelden, nu die betrekking hebben op de toepassing van het wegdektype zeer stil asfalt, welk wegdektype in Publicatie 133 niet voorkomt. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd dat aan de daarbij gestelde ten hoogste toelaatbare geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Het besluit berust in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet op een draagkrachtige motivering en komt derhalve voor vernietiging in aanmerking. Het beroep treft doel. 2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit van 6 november 2001 dient te worden vernietigd. 2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 6 november 2001, kenmerk 2001-27228; III. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,36) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. O. de Savornin Lohman, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat. w.g. Kosto w.g. Lap Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003 |